Tuin / keuzehulp

Tuinverlichting: zien waar je loopt zonder lichthinder

Eén felle schijnwerper verblindt en maakt de rest van de tuin juist donkerder. Zo bepaal je waar licht nodig is, hoe je het richt en wat je bewust donker laat.

Tuinpad in de schemering met lage paallampen die warm licht omlaag op de bestrating werpen, langs een border met struiken

Eén felle schijnwerper aan de gevel verlicht de hele tuin, verblindt iedereen die naar buiten kijkt en zet de buren in het licht; daarna zie je in de rest van de tuin juist minder, omdat je ogen zich op dat felle punt instellen. Een bruikbaar lichtplan werkt andersom: zwakke lampen, laag geplaatst, naar beneden gericht, op de paar plekken waar je ’s avonds echt iets doet. Begin bij het pad en de deur.

Begin bij de plekken waar je het gebruikt

Loop je tuin in het donker eens af zoals je dat op een gewone avond doet, en noteer waar je iets moet kunnen zien. Meestal zijn dat er vier of vijf, en elke plek vraagt iets anders.

  • De voordeur of achterdeur. Je moet het slot zien en de drempel. Licht van boven en iets opzij werkt beter dan recht van voren, want dan sta je in je eigen schaduw.
  • Het pad en vooral de treden. Hier gaat het niet om sfeer maar om de vraag of je het hoogteverschil ziet. Licht laag en van de zijkant laat een trede als schaduwlijn zien; licht recht van boven maakt hem juist vlak.
  • De zitplek of tafel. Hier wil je elkaars gezicht kunnen zien zonder in een lamp te kijken. Dat vraagt zwak licht van opzij of van onderaf tegen een wand, niet een spot boven de tafel.
  • De route naar de schuur, de container en de poort. Dit is de route die je gebruikt met volle handen, vaak in de regen. Eén of twee lage punten zijn hier genoeg; een sensor is hier logischer dan bij de zitplek.
  • De voortuin. Daar speelt ook wat de straat ziet. Hoe je daar met zicht en openbaar gebied omgaat, staat in een kleine voortuin die er het hele jaar uitziet.

Wat er niet bij hoort: het gazon, de schutting over de hele lengte, en elk boompje. Dat zijn plekken waar je ’s avonds niets doet, en elk lichtpunt dat daar brandt maakt de plekken waar je wél iets doet moeilijker te zien.

Naar beneden, laag en afgeschermd

Milieu Centraal geeft hiervoor een korte reeks adviezen die bij elkaar precies het verschil maken tussen hinderlijk en bruikbaar licht:

  • Plaats alleen lampen waar het écht nodig is, en verlicht liever een klein deel van je tuin dan een groot deel.
  • Plaats of hang de verlichting zo laag mogelijk, en verlicht van boven naar beneden. Bij gevelverlichting: liever alleen naar beneden.
  • Zorg dat de verlichting zo zwak mogelijk is.
  • Zorg dat het licht is afgeschermd, bijvoorbeeld met een kap.
  • Houd licht weg van water en ramen, omdat het zich daarlangs verder verspreidt.
  • Zet de verlichting niet de hele avond en nacht aan, maar gebruik een timer of bewegingssensor; gebruik waar het kan reflectoren in plaats van lampen.

Dat punt over water en ramen telt in een rijtjestuin extra: een lamp die op een schutting of een glazen pui schijnt, kaatst het licht door naar de tuin ernaast en naar boven.

Afschermen is het punt waar armaturen onderling het meest verschillen. De vraag is simpel: zie je vanaf de plek waar je zit of loopt de lichtbron zelf, of alleen het verlichte vlak? Zie je de bron, dan heb je verblinding en geen verlichting. Milieu Centraal noemt afschermen en zwak licht naast elkaar, en dat is ook logisch: een kap die de bron uit het zicht houdt, lost iets anders op dan een lamp met minder vermogen.

Wat tuinlicht met dieren doet

Dit is geen bijzaak maar een van de redenen om een lichtplan te maken in plaats van lampen op te hangen. Milieu Centraal beschrijft het zo:

  • Vleermuizen. Alle Nederlandse soorten mijden licht rond hun slaapplaats en op de routes daarnaartoe. Sommige soorten jagen juist wél bij licht, omdat insecten erop afkomen, maar ook die mijden licht bij hun slaapplaats.
  • Insecten. Licht maakt ze kwetsbaar voor roofdieren, bemoeilijkt het zoeken naar voedsel en verstoort hun oriëntatie. Naar schatting overleeft ongeveer een op de drie insecten die ’s nachts op kunstlicht afkomt dat niet. Dat raakt ook de vogels die van die insecten leven.
  • Vogels. Sommige soorten hebben last van kunstlicht; de omvang en de gevolgen zijn volgens Milieu Centraal nog onduidelijk.
  • Muizen en padden. Hiervan wordt vermoed dat ze last hebben, maar dat is nog niet goed onderzocht.

De praktische consequentie is kleiner dan je denkt: laat een deel van de tuin donker. Nestelen er dieren in je tuin, op je dak of in de gevel, houd dan de vlieg- en looproutes naar hun verblijfplaatsen donker. Dat is meestal de achterste strook en de rand langs de schutting — precies het deel waar je ’s avonds toch niet loopt.

Hoeveel licht is genoeg?

Je oog past zich aan het donker aan: in een onverlichte tuin is een zwak lampje genoeg om een pad te volgen, en dat lukt pas niet meer als er elders iets fels brandt. Loop daar de volgende keer dat je in het donker buiten staat maar eens op. Het probleem is dan niet te weinig licht, maar het verschil tussen licht en donker binnen je blikveld.

Je kunt dat zelf uitproberen voordat je iets installeert. Zet op een donkere avond een paar losse lampjes of zaklampen neer op de plekken die je overweegt, op de hoogte die je overweegt. Loop dan de route van de deur naar de schuur en terug, en let op drie dingen: zie je waar je je voet neerzet, kijk je ergens recht in een lichtbron, en zie je nog iets in het deel dat je bewust donker laat? Pas de opstelling aan tot alle drie kloppen, en noteer dán waar de lampen moeten komen. Dat is ook het moment om vanuit het slaapkamerraam van de buren te kijken, of in elk geval vanaf hun kant van de schutting.

Over kleur: de kleurtemperatuur staat in kelvin op de verpakking, en Milieu Centraal legt uit wat dat getal betekent. Lampen in de winkel hebben standaard 2700 kelvin, vergelijkbaar met het sfeervolle licht van een gloeilamp; bij minder kelvin kleurt het licht richting oranje, bij meer kelvin wordt het helderder en iets blauwer, richting daglicht. Een onderbouwde grenswaarde voor tuinverlichting staat niet in de geraadpleegde bronnen, en die zou ook van de plek afhangen. Wat je wel kunt doen: vergelijk de kelvinwaarden van de lampen die je overweegt en kies in de tuin de warmste van de opties die je bevallen. Milieu Centraal noemt daarbij nog iets wat bij buitenlicht uitmaakt: ledlampen geven door dimmen geen warmer licht zoals een gedimde gloeilamp, maar alleen minder licht.

Soorten armaturen en waar ze passen

Type Wat het verlicht Waar het misgaat
Lage paallamp langs een pad De bestrating en de rand ernaast Zonder kap kijk je er recht in; staat snel in de maairoute of de looproute
Grondspot omhoog in een boom De stam en de kruin Schijnt per definitie omhoog; geeft strooilicht naar boven en naar de buren
Spot hoog in een boom, naar beneden Een groot vlak eronder, met natuurlijke schaduwen Vraagt een bevestiging in een levende boom en bekabeling omhoog; de boom groeit
Wandlamp met kap De deur, de drempel, het pad eronder Een model dat ook omhoog schijnt, verlicht vooral de gevel en de lucht
Inbouwspot in bestrating of trede De trede of de rand van het pad Kijk je er vanaf de zitplek in, dan verblindt het; vraagt werk in de ondergrond
Lichtsnoer boven een zitplek Sfeer, nauwelijks nuttig licht Hangt in het zichtveld; werkt alleen als de lampjes zwak zijn
Zonnelamp Een pad of een rand, zonder bekabeling Geeft weinig licht, doet in de winter en op een schaduwplek weinig, en de accu gaat achteruit

Een praktisch punt bij alles wat in of langs een pad staat: het moet de kruiwagen, de container en de maaier overleven. Welk padmateriaal en welke route je hebt, bepaalt dus mede waar een armatuur kan staan; zie een tuinpad kiezen op route, materiaal en onderhoud. Rond een zitplek telt vooral waar je naartoe kijkt, zie je terras inrichten met ruimte om te zitten en te lopen.

Schakelen: per plek, en met een uit-moment

Een lichtplan valt of staat bij de schakeling. Drie keuzes doen het meeste.

  1. Schakel per plek, niet alles tegelijk. Als de zitplek en de route naar de schuur op één schakelaar zitten, brandt altijd de helft voor niets. Twee of drie groepen is genoeg.
  2. Zet een sensor waar je handen vol hebt. Bij de deur, de poort en de container is een bewegingssensor praktisch. Bij de zitplek niet: daar wil je niet dat de lamp aangaat omdat er een kat langsloopt.
  3. Zorg dat alles vanzelf uitgaat. Een timer of schemerschakelaar met een uitschakeltijd voorkomt dat de tuin de hele nacht brandt. Dat is precies het advies van Milieu Centraal, en het scheelt ook stroom.

Bedenk ook waar de schakelaar hangt. Een lamp die je alleen vanaf de achterdeur kunt uitzetten, blijft branden als je via de poort naar binnen komt.

De stroom: dit laat je ontwerpen

Hier houdt dit artikel op met concrete aanwijzingen. Elektra buiten, in een omgeving met water en grond, vraagt eigen oplossingen voor de voeding, de beveiliging, de kabels in de grond en de keuze van armaturen. Je vindt hier daarom geen kabeldiktes, aanlegdiepten, groepsindelingen of aanwijzingen over beveiliging. Laat dat ontwerpen en aanleggen door een installateur.

Wat je wel zelf kunt voorbereiden:

  • Een tekening met de plekken waar licht moet komen, de hoogte per punt en wat elk punt moet verlichten.
  • De vraag of je een systeem op laagspanning of op netspanning wilt, en wat dat in jouw situatie betekent; leg die vraag met je tekening voor.
  • De IP-aanduiding die bij elke plek hoort: een armatuur in een border staat anders in het water dan een wandlamp onder een overstek. Vraag per armatuur of de opgegeven aanduiding past bij die plek.
  • Een lege mantelbuis onder elk pad of terras dat je toch al openmaakt. Een buis is goedkoop; een pad opnieuw openbreken niet.
  • Waar de voeding vandaan komt en waar de schakelaars komen. Hoe je dat samen met de rest van je elektra plant, staat in stopcontacten plannen rond hoe je je huis gebruikt.
  • Wat er al in de grond ligt op het tracé, zodat er niemand in een bestaande kabel of leiding graaft.

Zonnelampen zijn de uitzondering waarvoor je geen installateur nodig hebt, en daarmee een logische keuze voor een huurwoning of een plek waar geen kabel heen kan. Weeg wel mee waar ze hun stroom vandaan halen: wat er ’s avonds uit komt, is wat het paneel die dag heeft opgevangen. Op een schaduwplek en in de winter is dat minder, en hoelang ze dan nog branden merk je pas in gebruik. Let bij de aanschaf daarom op twee dingen: of de accu te vervangen is, en of je de lamp kunt verplaatsen naar een plek met meer zon. Zet ze niet op het pad waarop je elke avond moet kunnen rekenen zonder dat eerst een seizoen te hebben uitgeprobeerd.

Kerst- en seizoensverlichting

Sfeerverlichting in december valt onder dezelfde adviezen als de rest, plus een paar die de brandweer voor feestversiering geeft: gebruik alleen goedgekeurde verlichting, bijvoorbeeld met het KEMA-keurmerk, controleer voor gebruik of de bedrading onbeschadigd is, plaats verlichting die warm wordt nooit in de buurt van licht ontvlambare materialen, en schakel de verlichting uit wanneer je weggaat of gaat slapen. Over snoeren staat daar: gebruik een onbeschadigd verlengsnoer en leg het zo neer dat niemand erover kan struikelen, koppel geen verlengsnoeren aan elkaar en rol een kabelhaspel bij gebruik altijd helemaal af. Controleer verder op de verpakking of een snoer voor buiten bedoeld is. Zet het geheel op dezelfde timer als je overige tuinverlichting, zodat het ’s nachts uitgaat: dat is beter voor de buren en voor de dieren, en het is precies waar het advies om niet de hele nacht te branden over gaat.

Hang snoeren zo op dat je ze er zonder schade weer af kunt halen. Niets vastnieten in een levende boom of in de gevel, en geen verlengsnoer dat over een pad ligt waar je overheen loopt. En kies ook hier liever veel zwakke lampjes dan een paar felle: dat geeft een rustiger beeld en minder strooilicht naar boven.

Waar dit artikel stopt. Over de elektrische kant, de aanleg van kabels en de beveiliging staan hier geen voorschriften; dat is werk voor een installateur. Er staat ook geen grenswaarde voor kleurtemperatuur of lichtsterkte, want een onderbouwde grens voor particuliere tuinen staat in geen van de geraadpleegde bronnen. Wat hier wel staat, zijn de adviezen van Milieu Centraal over plaatsing, richting, sterkte en schakelen, de uitleg van kelvin, de adviezen van de brandweer over verlichting en snoeren, en een manier om zelf uit te proberen hoeveel licht je nodig hebt.

Checklist voor je eigen lichtplan

  • De vier of vijf plekken genoteerd waar je ’s avonds werkelijk iets moet zien, en wat je er moet kunnen.
  • Een avond geproefd met losse lampjes op de beoogde plekken en hoogtes.
  • Gecontroleerd of je ergens recht in een lichtbron kijkt, vanaf de zitplek, vanaf het pad en vanaf de keuken.
  • Vanaf de kant van de buren gekeken wat zij zien.
  • Een deel van de tuin bewust donker gelaten, inclusief de routes naar plekken waar dieren nestelen.
  • Per armatuur de afscherming beoordeeld: zie je de bron of alleen het verlichte vlak?
  • Twee of drie schakelgroepen bepaald, met een sensor waar je handen vol hebt en een timer die alles uitzet.
  • Een tekening met plekken, hoogtes en gewenste IP-aanduiding klaar voor de installateur, plus lege mantelbuizen waar je toch graaft.

Bronnen bij dit artikel